In de zonovergoten wijngaarden van Condrieu,
Waar de viognier ranken wiegen in de wind,
Daar ontstaat een nectar zo hemels en puur,
Een wijn die de zintuigen bemint.
Viognier, als een goddelijke zwaan,
Brengt geuren van perzik en abrikoos voort,
Met een vleugje honing, zoete nectar,
Die de dorst van de ziel verzacht en hoort.
In elk glas Condrieu, een verhaal ontvouwt zich,
Van terroir en traditie, van mens en land,
Ode aan de viognier, een lied van lof,
Dat resoneert door de tijd en het zand.
Dus hef het glas, laat de goudkleur schijnen,
Proef de verrukking, de weelde, de gloed,
In elke slok Condrieu, een moment van extase,
Een reis naar het hart van een wijngebied zo goed.